|
Koopman
van de Compagnie
Henk
Schoorl beschrijft hem in zijn boek: ‘Isaäc Le Maire, Koopman en
bedijker’, als: ‘Een uitermate boeiende persoonlijkheid, een groot
energiek koopman, die in het Amsterdamse zakenleven van omstreeks 1600 een
belangrijke rol heeft gespeeld, die met zijn vitaliteit en durf de vroege
Indische handel heeft gestimuleerd, was mede oprichter van ‘de Verenigde
Amsterdamse Compagnie’ en weer later van ‘de Verenigde Oost Indische
Compagnie’en van de ‘Australische Compagnie’.
 |
Le Maire was een
origineel en vindingrijk man, met een egocentrisch karakter, eigengereid en
alleen op eigen voordeel uit zodat de daaruit voorkomende handelingen
zodanige weerstanden opriepen dat hij na
1610 in
de Amsterdamse handel was uitgespeeld. Zijn volharding, die tot de
ontdekking van de zuidelijke doorvaart rond Kaap Hoorn leidde, bracht deze
ongetwijfeld grote Nederlander een laat herstel’. Isaäc Le Maire werd
geboren omstreeks 1558 - 1559 te Doornik in België en overleed op 20
september 1624 te Egmond. Zijn grafsteen ligt in de Nederlands hervormde
kerk te Egmond-Binnen.
Hij was gehuwd met Maria Walraven die hem in de loop
der jaren 22 kinderen schonk, waaronder zijn zoon Jacob, de later beroemde
ontdekkingsreiziger.
Isaäc Le Maire voerde zijn plannen om grote delen van de
Koegrasgronden te bedijken al gauw niet zelf meer uit. Andere en grotere
winsten lokten. Na 1602 raakte hij meer in de ban van de Indische handel.
|
Nadat het Le Maire bezit vrij van schulden was volgde in 1634 de
‘scheiding en deling’, van het grondbezit onder zijn kinderen. De
gronden bleven tot het jaar 1789, dus bijna twee honderd jaar, in
overeenstemming met zijn testamentaire wens, in gemeenschappelijk beheer van
zijn nakomelingen: ‘de Erven van Le Maire’. Daarna kwam het gehele
gebied door verkoop in eigendom van het Rijk voor een bedrag van f 60.000,-.
Waterwinning
Als
nieuwe eigenaar verpachtte het Rijk het duingebied de Ooghduinen (Donkere
Duinen) voor de jacht aan de hoogste bieder; in de periode rond 1910 was het
eigendom van de familie Hummel. Door gebrek aan voldoende duinen voor
duinwaterwinning voor het groeiend aantal inwoners kocht de gemeente Den
Helder het terrein op om de watervang te vergroten. Niet lang daarna lagen
er plannen klaar om het oostelijke deel te bebossen (het huidige bos). Het
westelijke deel bleef, tot aan het fietspad, in gebruik als duinen voor de
waterwinning.
Voor
de aanleg van het bos vroeg de gemeente advies aan Dr. H.C. Redeke,
(directeur van het Zoölogisch station, nu bekend als het NIOZ). Hij was de
plaatselijke autoriteit op dat gebied en mede auteur van het boek ‘Flora
van Helder’.
 |
Hij protesteerde fel tegen
het bebossingsplan van de gemeente vanwege het verloren gaan van de hoge
natuurwaarde van het duingebied, die volgens hem vooral te danken was aan de
aanwezigheid van vochtige duinvalleien waarin veel zeldzame plantensoorten
groeiden. Zijn protest werd opzij gelegd en vanaf 1917 en de daarop volgende
jaren werd het duingebied in werkverschaffing bebost. Met als compromis met
Dr. Redeke enkele vanouds bestaande loofbosjes en een open stuk heide (nu de
Ruige Hoek genoemd) met wat lagere gedeelten, die werden uitgespaard. In
overeenstemming met de toen heersende opvattingen over het bebossen van
‘woeste gronden’ werd op grote schaal naaldhout toegepast. Het meest
geschikt bleek de den Pinus Austriaca en de den Pinus Montana te zijn. Van
deze boomsoorten zijn er dan ook vele tienduizenden geplant. |
Van de jonge
aanplant zouden er later zelfs ook een groot aantal verkocht en geplant
worden op de rooms-katholieke begraafplaats aan de Jan Verfailleweg.
De
door Redeke aanbevolen aanleg van een ‘veentje of moeras’ op de laagst
gelegen gedeelten leverde de vijver op. |